Wilhelmus 75 jaar Volkslied

Koningin Wilhelmina
10 mei 07
Hoewel het ‘Wilhelmus’ in de Raad van Ministers op 10 mei 1932 officieel als Nederlands Volkslied werd erkend, bepaalde Koningin Wilhelmina al op 1 oktober 1928 dat het ‘Wilhelmus van Nassauwe’ in de zetting van de kapelmeester van de Koninklijke Militaire Kapel, de eerste luitenant der Grenadiers, C. L. Boer vanaf dat moment als de officiële versie van het Wilhelmus zou moeten worden beschouwd. De minister van Oorlog verzoekt aan de Inspecteur der Infanterie en de Commandant der Marine, dat aan dit Koninklijk verlangen het vereiste gevolg zal worden gegeven. De reden van dit Koninklijk verlangen lag voornamelijk in het feit dat bij de militaire muziekkorpsen verschillende versies van het Wilhelmus in omloop waren. Het was in de loop van de 19e eeuw tot een, in marstempo, gedegenereerde melodie verworden. Elke kapelmeester had bij zijn eigen kapel een aparte versie gemaakt. Van het gezamenlijk uitvoeren door de diverse muziekkorpsen van het Wilhelmus, bijvoorbeeld tijdens een militaire taptoe, kon in dat opzicht dan ook al helemaal geen sprake zijn. Prof. Dr. A. D. Loman (1823-1897) had in 1871, in het Tijdschrift der Vereeniging voor Noord-Nederlandsche Muziekgeschiedenis een bundel laten verschijnen, met daarin opgenomen onder andere de oude Wilhelmusmelodie. Hij had dit ontleend aan één van de oudste gedrukte bronnen van het Wilhelmus, die we kunnen vinden in de ‘Neder-landtsche gedenck-clanck’ uit 1626 van Adriaen Valerius (1575-1625). Om het spelen van de melodie te vergemakkelijken, had Loman de oorspronkelijke luit- in een klavierbegeleiding veranderd. Zo ontstonden aan het eind van de 19e eeuw naast de bestaande, nog meer versies van het Wilhelmus. Er kwamen nu instrumentaties bij die niet meer in het gebruikelijke marstempo, maar in het ons nu bekende langzame tempo werden gespeeld. Dat deze toename van bewerkingen tot verwarring bij de uitvoerenden zou leiden, mag als vanzelfsprekend worden aangenomen. De kapelmeester D. M. H. Bolten (1841-1917) van het muziekkorps der Haagse Schutterij vroeg in 1893 vertwijfelt aan zijn Kolonel of hij nu het oude of nieuwe Wilhelmus moest spelen. Kort daarvoor had ook hij een bewerking van het Wilhelmus in langzaam tempo gemaakt en vroeg aan zijn commandant of deze vanaf nu gebruikt diende te worden. De discussie rond het volkslied was niet nieuw. Rond de plechtige Inhuldiging van Hare Majesteit de Koningin in 1898 verschijnen er in verschillende bladen discussies omtrent de uitvoerbaarheid van de oude Valerius melodie. Voor- en tegenstanders debatteren over de, al dan niet voor het volk, moeilijk uit te voeren melodie. Sommigen pleiten ervoor om het Wilhelmus dusdanig te vereenvoudigen, dat het volk het zonder problemen kan zingen. Tegenstanders kunnen dit niet aanvaarden en schrijven dat zij, met name door de jongeren, het Wilhelmus gewoon op straat perfect horen uitvoeren.
Kapel o.l.v. C. Walther Boer onder de Arc de TriomphIn de beginjaren van het Koninkrijk werd het ‘Wien Neêrlandsch bloed in de ad’ren vloeit’ van de Rotterdamse dichter Henricus Fransiscus Tollens Cz. (1780-1856) verkozen tot de nationale hymne. Dit was tot stand gekomen na het uitschrijven van een prijsvraag in 1815, door de luitenant-admiraal buiten dienst Jan Hendrik van Kinsbergen (1735-1819). De muziek werd geschreven door Johann Wilhelm Wilms (1772-1842), een uit Duitsland afkomstige componist en organist. Wilms vestigde zich in 1791 te Amsterdam, waar hij in 1824 organist van de Doopsgezinde Kerk werd. Hij componeerde naast het Wien Neêrlandsch bloed, onder andere nog zeven symfonieën, vier pianoconcerten en een fluitconcert. Maar ook schreef hij piano- en kamermuziek, waaronder zijn Variaties over Wien Neêrlandsch bloed opus 48. De bekende Nederlandse tenor Willem P. de Chavonnes Vrugt (1793-1875) werd uitverkoren om het ‘Wien Neêrlandsch bloed’ bij het grote publiek bekend te maken. Met een geweldig bravoure zong hij het lied op al zijn concerten in binnen- en buitenland. Populair werd het lied echter pas rond 1831 toen de scheuring in het Koninkrijk een feit was en België zich van Nederland losmaakte. Dit was ook Hans Christian Andersen opgevallen tijdens een bezoek aan Nederland. In zijn autobiografie ‘Mit Livs Eventyr’ (1855) beschrijft hij zijn verblijf aan Nederland in 1847. Het valt hem op dat er overal werd gezongen, en dat met name de melodie van het Wien Neêrlands bloed met veel overgave ten gehore werd gebracht.

In 1935 was het spelen van het Wilhelmus al zo in populariteit toegenomen, dat de commandant van het veldleger, luitenant-generaal W. Röell, een brief schreef aan zijn commandanten en inspecteurs, waar in hij stelde dat het spelen van het Wilhelmus steeds het karakter moest meedragen alsof het een hulde aan Hare Majesteit de Koningin betrof. En niet zoals nu vaak gebeurde, bij meer of minder officiële gelegenheden waar toevallig een muziekkorps aanwezig was. Hij dringt er bij zijn commandanten op aan om de richtlijnen van luitenant-generaal buiten dienst Jhr. E. J. M. Wittert er nog eens op na te slaan. Wittert schrijft onder andere in zijn brochure militair ceremonieel, dat het Wilhelmus gespeeld moet worden ‘ter ere van ons Vorstenhuis, maar ook bij gelegenheden waarbij men zou kunnen zeggen dat de begrippen Vaderland en Vorstenhuis als het ware ineenvloeien. […] Wanneer het gespeeld of gezongen wordt, moet een diepe ontroering zich van ons meester maken. Het moet als het ware een zelfde stemming opwekken als een concertstuk waarbij na afloop een ieder voelt, dat niet geapplaudisseerd moet worden.’ Wittert herinnert zich ook dat bij een officieel bezoek van Keizer Wilhelm II in 1891 tijdens een Taptoe op de Dam in Amsterdam voor het eerst het Wilhelmus in de toonzetting van Valerius werd uitgevoerd. Een aantal beroemde koren, waaronder het ‘Klein-Koor a cappella’ van Anton Averkamp, zorgden er vervolgens voor dat het Wilhelmus snel in populariteit steeg. Ook het buitenland, waar deze Nederlandse koren veelvuldig optraden, werd op deze manier snel vertrouwd gemaakt met het Wilhelmus.
Het Wilhelmus begon dus langzaam het Wien Neêrlandsch bloed als Nationaal volkslied te verdrijven. Chaotisch werd het pas echt tijdens de Amsterdamse Zomerspelen in 1928, waar beide volksliederen door elkaar heen gebruikt werden, en de buitenlandse gasten er geen touw meer aan vast konden knopen. Of in het kader daarvan de brief van de Koningin moet worden gezien is niet meer te achterhalen, maar feit was dat het oude volkslied zijn langste tijd dan al gehad heeft.

Wien Neerlands Bloed, oude volksliedHet was niet vanzelfsprekend dat Coenraad Louis Boer (1891-1984) een carrière als militair zou hebben. Na het Lineaus College in Amsterdam te hebben doorlopen, sloot hij reeds op 26 juni 1911 zijn studie cello aan het Amsterdams Conservatorium af met een Prix ‘d Excellences. Zijn leraar was de bekende Rotterdamse cellist Isaac Mossel geweest. In de jury van de ‘prix’ zat niet minder dan Pablo Casals. Boer voerde het 2e Concert voor cello en orkest (1909) uit van Nederlands/Duitse componist Julius Röntgen (1855-1932). Casals had het celloconcert nog maar een paar maanden daarvoor (11 en 12 maart) onder leiding van de componist met het Concertgebouworkest in Amsterdam en Den Haag uitgevoerd.
Op 29 november 1910 had Boer zich vrijwillig aangemeld als aspirant-vaandrig bij het 7e Regiment Infanterie te Amsterdam. In werkelijke dienst kwam hij op 20 juli 1911, nog geen maand na afsturen van het Conservatorium.

Nadat hij op 3 oktober 1913 met groot verlof was gegaan nam hij een betrekking als solocellist aan in Nice. Korte tijd later verhuisde hij al naar Riga om ook daar als solocellist te gaan werken. In de zomer van 1914 zette hij opnieuw een muzikale stap voorwaarts door te solliciteren naar de vacature van solocellist van de ook toen reeds beroemde Berliner Philharmoniker. Hij werd aangenomen, maar nadat op 1 augustus de Eerste Wereldoorlog was uitgebroken, werd Louis Boer vanwege de oorlogsdreiging op 15 augustus teruggeroepen om zijn vaderlandse plicht te vervullen. Op 7 november werd hij bevorderd tot tweede luitenant. Tijdens deze vier oorlogsjaren verfijnde Boer zijn cellospel en begon zich meer en meer toe te leggen op zijn grote liefde, het vak van dirigeren. Op 1 november 1919 werd de op 7 november 1818 tot eerste luitenant bevorderde Boer wederom met groot verlof gestuurd. Hij nam de betrekking van solocellist annex tweede dirigent van de Arnhemsche Orchestvereeniging aan. Ontevreden over het feit dat hij uiteindelijk geen concerten mocht dirigeren, verliet hij al na een paar maanden de Gelderse hoofdstad om zich vol overgave in Haarlem als dirigent van de Haarlemsche Orchestvereeniging te vestigen. Ook hier vond Boer blijkbaar niet de rust die hij zocht, want korte tijd daarna solliciteerde hij naar de betrekking van dirigent van de Koninklijke Militaire Kapel in Den Haag. Deze beroemde kapel, die haar hoogtijdagen in de jaren 60 en 70 van de 19e eeuw onder leiding van François Dunkler Jr. had gehad, wist Louis Boer weer tot een internationaal niveau op te stuwen. Hij zou 20 jaar lang leiding geven aan de Kapel. Het voortbestaan van de Kapel werd abrupt onderbroken door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Na de teraardebestelling van een overleden Nederlandse officier werd de Kapel in 15 juli 1940 ontbonden.
Wanneer we de krantenverslagen en spotprenten over de verrichtingen van Boer bestuderen kunnen we slechts vermoeden hoe immens populair hij in ons land, en zeker in Den Haag moet zijn geweest.

Op 23 april 1930 kreeg Louis Boer bij Koninklijk Besluit toestemming om hem zelf en zijn nazaten Walther Boer te noemen. Zijn moeder geb. Walther was een afstammeling van een familie van militairen. Haar grootvader Gen. Majoor Isaac Wilhelm Walther (1794-1857), drager van de Militaire Willemsorde 4e Klasse en drager van het Bronzen Kruis 1830-1831 was de 4e Gouverneur van de Koninklijke Militaire Academie in Breda geweest.
Walther Boer voelde zich waarschijnlijk binnen het militaire bedrijf als een vis in het water. In 1921 werd er echter in de kranten melding van gemaakt dat hij als opvolger van Jan van Gilse, waarschijnlijk de nieuwe dirigent van het Utrechts Steedelijk Orkest zou worden. Hij reageert onmiddellijk op deze berichten, en zegt zijn Koninklijke Militaire Kapel niet in de steek zullen laten.
Op 21 juni 1937 studeert Walther Boer af als Doctorandus Muziekwetenschappen aan de Universiteit van Utrecht. Precies een jaar later, op 1 juli 1938, promoveert hij als eerste musicoloog in Nederland tot Doctor in de letteren en wijsbegeerte aan hetzelfde instituut onder de befaamde Professor Smijers.